foto: Dick Goslinga
Wielenwerkgroep

 

Trends in tellingen van algemene en schaarse trek- en zwerfvogels in alfabetische volgorde. De lijndiagrammen zijn samengesteld op basis van jaarmaxima uit de periode 1971-2011 met een driejarig-lopend gemiddelde, waardoor de getelde aantallen wat worden uitgesmeerd over de nabije jaren. Van de meeste vogels van het open veld geven de aantallen een tamelijk goed beeld van de aanwezigheid. Vogels van bos of moeras zijn vaak sterk onderteld omdat ze moeilijk waar te nemen zijn, maar het trendbeeld is mogelijk wel tamelijk realistisch.
Verklaring:= toename; = afname; overig = stabiel of onzeker


terug

Toename vanaf eind jaren zeventig; de laatste jaren enige afname; geen slaapplaatsen aanwezig; soort is geen broedvogel. Maximum aantal waargenomen: 74 vogels op 17 februari 2007.
terug

Tot eind jaren negentig incidentele waarnemingen; daarna regelmatige verschijning in najaar, winter en voorjaar. De soort is ook broedvogel. Maximaal 30 vogels zijn waargenomen op 17 oktober 2009.
terug

Buiten de broedtijd is de soort vooral aanwezig in het (vroege) voorjaar; aantallen zijn gestadig toegenomen; soort is ook broedvogel. Maximum aantal waargenomen: 107 vogels op 13 maart 2011.
terug

Met wat schommelingen een tamelijk stabiel voorkomen van oktober tot en met maart; soort slaapt in de Ryptsjerksterpolder. Maximaal 7 vogels geteld tijdens slaapplaatstelling op 27 november 2004.
terug

 

De blauwe reiger is met wat golvingen door de jaren heen tamelijk stabiel aanwezig. Soort broedt in het nabijgelegen Bos van Ypey. Maximaal 30 vogels zijn geteld op 16 oktober 2004.
terug

 

Het beeld is vooral gebaseerd op de nazomer tot in het vroege najaar, wanneer grote groepen boerenzwaluwen jagen en trekken, vaak met andere soorten als gierzwaluw, oeverzwaluw en/of huiszwaluw. In sommige jaren betreft het soms honderden vogels. De laatste tien jaar worden dergelijke grote groepen niet meer gezien. Maximaal aantal waargenomen: 450 vogels op 17 september 1995.
terug

 

Bontbekken worden vooral in het voorjaar gezien op de slikkige opdrogendezomerpolders. Meestal zijn de waargenomen aantallen beneden de tien. In sommige jaren komen er meer. Maximaal zijn 130 vogels gezien op 31 maart 1974.
terug

In de jaren zeventig en tachtig waren vrijwel elk jaar bonte kraaien te zien in de winter. Na de 80-er jaren was dat over. Maximaal zijn 11 vogels geteld in oktober 1975 (NJN, exacte datum onbekend).
terug

In de jaren tachtig worden in het voorjaar af en toe kleine groepjes bonte strandlopers (meestal minder dan 25) gezien op de opdrogende, slikkige zomerpolders. Maar in sommige jaren zijn de aantallen groter, zoals in 1978 en 1979, toen veel grotere aantallen (honderden) bontjes werden gezien op de toen talrijke overstroomde polders in maart. Maximaal aantal 400 op 11 maart 1978.
terug

Vooral in april/mei, maar ook wel in juli/augustus worden kleine aantallen bosruiters gezien. Ze fourageren op de vele plassen en plas-drasse percelen in de Rypstjerksterpolder. Na de herinrichting van de Ryptsjerksterpolder eind jaren tachtig zijn de waarnemingen en aantallen toegenomen. Maximaal zijn 42 vogels geteld op 6 mei 2010.
terug

De brandgans is al vanaf de zestiger jaren 's winters aanwezig. De vogels slapen in de Ryptsjerksterpolder om overdag te grazen op de boerengraslanden in de wijde omtrek. Vanaf eind jaren tachtig zijn de aantallen fors toegenomen. De huidige populatie wordt geschat op 12.000 vogels. Maximumaantal geteld: 14.000 op 29 november 2011.
terug

Vanaf de jaren zeventig begint begint de Friese broedpopulatie van de Bruine kiekendief te groeien na de DDT-slachting in de jaren zestig. Ook in het Groote Wielengebied groeit de broedpopulatie en worden steeds meer vogels geteld, gestimuleerd door de uitbreiding van het moerasareaal. Vanaf de tweede helft van de jaren negentig nemen de aantallen met schommelingen langzamerhand weer wat af. Maximaal aantal vogels: 17 op 25 juli 1994.
terug

Vanaf de jaren zeventig nemen de aantallen geleidelijk toe. De aantallen zijn het grootst in het najaar tijdens de trek. De soort is ook broedvogel. Maximaal aantal vogels: 28 op 18 september 2010.
terug

Het heeft lang geduurd voor de canadese gans voet aan de grond kreeg. Pas vanaf 2004 worden wat grotere aantallen gezien. Maximaal zijn 20 vogels geteld op 28 mei 2011.
terug

De ekster neemt gestadig af. Zowel binnen als buiten de broedtijd wordt de soort nog maar spaarzaam gezien. Maximaal aantal: 33 op 22 februari 1981.
terug

De grootste aantallen worden gezien buiten de broedtijd. Vergeleken met de periode 1975-1985 zijn de aantallen waargenomen fazanten beduidend lager. Maximaal 23 vogels zijn geteld op 13 november 1976.
terug

De grootste aantallen worden geteld vlak voor (maart) en na de broedtijd (augustus/september). De vogels verblijven dan vooral op de boezemwateren van de Groote Wielen. De laatste twee decennia worden de grote aantallen van de jaren tachtig en begin jaren negentig niet meer gezien. Maximaal 60 vogels zijn geteld op 24 maart 1991.
terug

Het trendbeeld is gebaseerd op tellingen binnen en buiten de broedtijd. Vooral in de tachtiger jaren werden meer gele kwikstaarten geteld dan in de jaren daarna. Maar sinds begin van deze eeuw stijgen de aantallen weer. Het grootste aantal getelde vogels is 30, in mei 1981 (datum zoekgeraakt).
terug
De gierzwaluw broedt niet in het Groote Wielengebied. Maar de soort komt er vooral in de periode mei tot juli om voedsel te zoeken in het luchtruim erboven, regelmatig met boerenzwaluwen, huiszwaluwen en/of oever-zwaluwen. In sommige jaren zijn grote aantallen jagende vogels gezien. Het grootste aantal getelde vogels is 298, op 25 juni 1996.
terug
De goudplevier wordt tamelijk weinig en in vlagen waargenomen, maar als de soort aanwezig is kunnen de aantallen groot zijn. Van een trend is niet veel te bespeuren. Het grootste aantal waargenomen vogels is 1.600 op 25 december 2004.
terug

De graspieper is zeer algemeen en wordt bij de meeste tellingen in het open (gras)land waargenomen. De grootste aantallen worden geteld buiten de broedtijd en betreffen doortrekkers of overwinteraars. Deze aantallen lijken de afgelopen decennia met schommelingen langzaam af te nemen. Het grootste aantal getelde vogels is 310, op 16 oktober 1982.
terug

Pas vanaf de eeuwwisseling werd de grauwe gans een steeds talrijker wintergast. Daarvoor werden regelmatig in voor- en najaar kleine groepjes gezien. De soort is ook als broedvogel sterk toegenomen. Het grootste aantal getelde vogels is 800, op 26 februari 2006.
terug

Met de jaren neemt het aantal in voor- en najaar waargenomen vogels, zij het in golvingen, steeds verder af. De soort broedt een enkele maal in het Groote Wielengebied. Maximaal 22 vogels zijn waargenomen op 16 oktober 1998.
terug

Een duidelijke trend is niet echt te bespeuren. De aantallen zijn sterk schommelend. De vogels worden vooral gezien in en rond de winterperiode. De laatste tien jaar worden meestal maar enkele vogels gezien. Het grootste aantal getelde vogels is 29, op 17 november 1973.
terug

Op 23 maart 1973 werdendoor de NJN nog 100 vogels geteld van deze mooie wintergast. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan en gaat het vandaag de dag nog maar om minder dan tien vogels. De vogels verblijven op de meren en brede vaarten. Maar in het voorjaar worden ze ook wel op ondergelopen land aangetroffen.
terug

Pas aan het begin van deze eeuw verscheen de grote zilverreiger in het Groote Wielengebied. De vogels zijn vrijwel het gehele jaar aan te treffen, met uitzondering van stevige vorstperioden. Maximaal 20 vogels zijn gezien op 16 februari 2008. De aantallen lijken de laatste jaren wat te stabiliseren.
terug

Een trend in het voorkomen van de grutto als doortrekker is lastig aan te geven. De grootste aantallen vogels zijn geteld bij slaapplaatstellingen. Deze zijn pas vanaf 1986 om de paar jaar gehouden. De piek rond 1990-1992 wordt vooral veroorzaakt door één telling van 8.000 in de namiddag foeragerende vogels op 31 maart 1991 in de Ryptsjerksterpolder. De laatste jaren lijken de aantallen op de voorjaarsslaapplaatsen af te nemen naar minder dan 1.000 vogels.
terug

De getelde aantallen holenduiven, van in de meeste jaren minder dan 20 vogels, laten in de jaren negentig een toename zien tot vele tientallen vogels. Het grootste aantal getelde holenduiven is 85, op 24 oktober 1995. Vanaf de eeuwwisseling worden steeds minder vogels gezien. De laatste jaren vaak minder dan vijf exemplaren. De soort broedde in het gebied.
terug

In sommige jaren worden veel houtduiven gezien. Bijvoorbeeld in 1975 en 1986 (maximum 14 oktober, toen ca. 400 vogels werden geteld). Maar meestal gaat het om minder dan 100 vogels. De laatste 10 jaar lijken de aantallen afgenomen ten opzichte van de periode daarvoor.
terug

Huismussen worden meestal aangetroffen in de randgebieden van het groote Wielengebied, dichtbij bewoning. De grootste aantallen worden gezien buiten de broedtijd. De soort is de laatste 25 jaar sterk afgenomen. Maximaal 140 vogels zijn geteld op 18 februari 1984.
terug

Huiszwaluwen worden meestal gezien buiten de broedtijd, vaak jagend in open gebied met andere soorten zwaluwen. De aantallen zijn sterk afgenomen vanaf halverwege de jaren tachtig. Maximaal 100 vogels zijn geteld, op 1 september 1982.
terug
Regelmatig wordt het groote Wielengebied bezocht door groepen kauwen. Ze zoeken voedsel in de graslanden, meestal samen met roeken. De aantallen lijken, met wat uitschieters, tamelijk stabiel door de jaren heen. Maximaal 300 vogels zijn geteld op 25 oktober 1993.
terug

Tot de eeuwwisseling werd het groote Wielengebied in voor- en najaar bezocht door honderden tot enkele duizenden kemphanen, met een piek in de eerste helft van de jaren negentig. Daarna worden nog maar hooguit enkele honderden vogels geteld, vooral in het voorjaar. De vogels slapen in de Rypsterksterpolder. Maximaal 4300 kemphanen zijn geteld op 20 april 1992.
terug
Het voorkomen van de kievit is met schommelingen tamelijk stabiel door de jaren heen. De vogels fourageren op de graslanden in voor- en najaar. Het grootste aantal is 12.500, geteld op 28 november 1982.
terug

Pas vanaf de jaren negentig neemt de kleine mantelmeeuw wat in aantal toe. 's Winters ontbreekt de soort meestal. De grootste aantallen worden in het voorjaar geteld. Het grootste aantal (55) is geteld op 16 juni 2010.
terug

Door de jaren heen kunnen de aantallen sterk schommelen. De vogels worden meestal in en rond de winter af en toe aangetroffen op de ondergelopen graslanden van de Rypstjerksterpolder. Sommige groepen slapen er alleen maar, andere blijven ook overdag. De eerste tien jaar van deze eeuw is de soort veel schaarser en blijven de aantallen meestal beneden de tien. Het grootste aantal vogels was 37, geteld op 14 december 1997.
terug
Het lijkt er op dat in de zeventiger jaren grotere aantallen kneuen werden gezien dan in latere jaren. De grootste aantallen worden gezien tijdens de najaarstrek. Het grootste aantal (45) werd geteld in november 1975 door de NJN.
terug

Vanaf de jaren negentig worden grotere aantallen knobbelzwanen gezien dan daarvoor. De vogels zoeken vooral in voor- en najaar voedsel in de vochtige en ondergelopen graslanden. Maximaal 75 vogels zijn geteld op 28 maart 1999.
terug

Het voorkomen van de kokmeeuw kan het best worden vastgesteld door de aantallen op de slaapplaatsen te tellen. Deze tellingen zijn pas vanaf 1982 gehouden; niet elk jaar. De vogels slapen met name buiten de broedtijd op plassen en ondergelopen graslanden in de Ryptsjerksterpolder. Veel vogels komen uit Leeuwarden. De tellingen zijn bijzonder moeilijk, want in de schemering, zowel 's avonds als 's ochtends kunnen de soorten moeilijk worden onderscheiden en de aantallen moeilijk worden geteld. In de grafiek worden de geschatte aantallen weergegeven. Vanaf de jaren negentig zijn de aantallen gemiddeld lager dan in de jaren daarvoor. Het grootste aantal vogels dat in de boeken staat is 12.975, geteld op 31 maart 1991.
terug

Kolganzen komen in elk geval al vanaf de zestiger jaren bij de Groote Wielen. Ze slapen vanaf oktober tot in maart in de Ryptsjerksterpolder op ondergelopen graslanden om overdag te gaan grazen in de omliggende (boeren)graslanden. De populatie bedroeg in de jaren zeventig zo'n 10.000 vogels. In de jaren tachtig groeide de aantallen naar 30.000-40.000 vogels. Met het inrichten van de Ecologische Hoofdstructuur ontstonden er meer slaapplaatsen in de ruime omgeving. Mogelijk daardoor daalde de populatie en ligt vanaf halverwege de jaren negentig op ca. 15.000 vogels. Maximaal 49.500 vogels werden geteld op 17 januari 1988.
terug

Het voorkomen van de koolmees buiten de broedtijd is niet zo goed af te lezen uit de grafiek. De soort is moeilijk te tellen en komt vooral voor in de boomrijke randzones en beide eendenkooien in het Groote Wielen-gebied. Af en toe worden wat grotere aantallen gezien (gehoord) in de randzones met geboomte. Vanaf eind jaren negentig zijn de aantallen getelde koolmezen vrij klein. Mogelijk ligt dat aan de verminderde intensiteit van totaaltellingen in die periode. Op 10 november 1984 werd het grootste aantal (73) geteld.
terug

Met tamelijk grote schommelingen zijn de maximale aantallen getelde koperwieken in de loop der jaren kleiner geworden. Vooral in boomrijke randzones zijn ze moeilijk te tellen. De grootste aantallen koperwieken worden gezien in najaar en winter. Het grootste getelde aantal koperwieken is 500 op 1-december 1977.
terug

De krakeend heeft de afgelopen tientallen jaren een stormachtige opmars laten zien. Zo ook in het Groote Wielengebied. De meeste krakeenden worden geteld in de periode september-november en in maart. Ze verblijven dan op de meren, plassen en ondergelopen graslanden. Maximaal 209 krakeenden werden geteld op 26 september 1998.
terug
Vooral de piekaantallen kransvogels zijn sterk afgenomen. Grote groepen kramsvogels van vele honderden zijn de laatste twintig jaar niet meer geteld. De vogels worden vooral gezien in najaar en winter op bossige plekken en in open land. Op 1 december 1977 werden 1500 vogels geteld.
terug

De kuifeend laat door de jaren heen een gestadige groei zien. De grootste aantallen worden gezien in de periode november-maart. Ze zijn vooral te vinden op de meren, maar in het voorjaar ook wel op ondergelopen grasland. Maximaal zijn 208 vogels geteld op 18 november 2006.
terug

Met de verhuizing van lepelaars naar de Waddeneilanden begonnen de aantallen in de jaren negentig toe te nemen. Waarschijnlijk betreft het trekkende en zwervende (jonge) vogels. Veruit de meeste waarnemingen zijn gedaan in het voorjaar tot eind juni. Op 24 juni 1998 werden 32 lepelaars gezien.
terug

De grootste groepen meerkoeten worden gezien van november tot in maart. Ze verblijven vooral op graslanden nabij de Groote Wielen en op de ondergelopen zomerpolders in de Rytsjerksterpolder. In de loop van de afgelopen veertig jaar zijn de aantallen afgenomen. De laatste tien jaar zijn aantallen van meer dan 1000 vogels nog maar één keer geteld. De sterke dip rond 1997/1998 is niet goed verklaarbaar. Het grootste aantal getelde meerkoeten is 1400 op 3 december 1972.
terug
Merels worden in sterk wisselende aantallen geteld. De aantallen zijn het grootst tijdens de najaarstrek en winterverblijf. Ze vogels worden gezien in of nabij bossige plekken. De laatste tien jaar zijn de getelde aantellen wat kleiner dan daarvoor. Maar het is de vraag of we bij deze lastig te tellen soort hieraan conclusies mogen verbinden. Het grootste aantal getelde merels is 45 op 31 oktober 1978.
terug

Nijlganzen zijn vanaf de jaren negentig vaste bezoekers van het Groote Wielengebied. De soort broedt ook in het gebied. De grootste aantallen worden geteld buiten de broedperiode. Nijlganzen slapen ook wel op de ganzenslaapplaatsen in de Ryptsjerksterpolder, maar worden niet gemakkelijk opgemerkt tussen de vele duizenden kol- en brandganzen. De laatste jaren lijken de aantallen te stabiliseren. Maximaal zijn 30 nijlganzen geteld op 15 november 2003.
terug

Tot de eeuwwisseling werden meestal minder dan tien nonnetjes geteld. Vanaf 2002 verdubbelden de aantallen. De vogels worden in en rond de winterperiode gezien op de meren en in het voorjaar ook op de ondergelopen zomerpolders. Op 11 februari 2006 werden 29 nonnetjes geteld.
terug

Oeverlopers kunnen van het voorjaar tot in de nazomer aangetroffen worden bij slikkige, natte randen van plassen en sloten. Het zijn er nooit veel en ze zijn vaak alleen of met een paar. Van een trend is niet veel te bespeuren. Het grootste aantal is 9 vogels, gezien op 5 mei 2010.
terug

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd hoogst zelden een ooievaar gezien. Na de instelling van 'ooievaars-dorpen', het houden van een 'huisstal' ooievaars bij het nabijgelegen Otterstation (later Aqua Zoo) en de vestiging van een broedpaar bij het Bos van Ypey werden steeds vaker groepjes ooievaars gezien. Het grootste aantal ooievaars (17) is geteld op 5 augustus 2006.
terug

Evenals bij de koolmees, waarmee pimpelmezen vaak voorkomen, worden de grootste aantallen geteld buiten de broedtijd. De soort is moeilijk te tellen en zodoende sterk onderteld. Vanaf eind jaren negentig zijn de aantallen getelde vogels vrij klein. Mogelijk ligt dat aan de verminderde intensiteit van totaaltellingen in die periode. Het grootste aantal is 45 vogels, geteld op 8 oktober 1979.
terug

Het voorkomen van pijlstaarten in het Groote Wielengebied schommelt jaarlijks sterk. De soort is vooral aanwezig tijdens de voorjaarstrek van februari tot in april op de dan langzaam droogvallende zomerpoldergraslanden in de Ryptsjerksterpolder. Een duidelijke trend is niet aan te geven. Maximaal werden 150 vogels geteld op 24 maart 1984.
terug

Voor 1992 is het voorkomen van deze trekvogel gebaseerd op de aanwezigheid van vogels overdag. De getelde aantallen regenwulpen bleven meestal beneden de 10. Vanaf 1992 zijn regelmatig steltloper-slaapplaatstellingen georganiseerd en werd ontdekt dat (enkele) honderden regenwulpen in april en mei sliepen in de Ryptsjerksterpolder op de plasdrasse zomerpoldergraslanden. Maximaal 480 vogels werden geteld op 28 april 1995.
terug

Tot in de jaren tachtig werden vele tientallen ringmussen gezien tijdens tellingen. Daarna kwam de klad erin en bleef het meestal bij minder dan tien vogels. De ringmus broedt in de randzones bij menselijke bewoning van het Groote Wielengebied. Op 9 december 1973 werden 80 vogels geteld.
terug

Roeken komen vaak samen met kauwen in groepen voor op de graslanden. Hoewel de maximale aantallen van jaar op jaar sterk kunnen verschillen, is de soort ontegenzeggelijk sterk toegenomen. De vogels slapen 's nachts in het nabijgelegen Bos van Ypey. Op 19 december 1993 werden 350 roeken geteld.
terug

Al ver voor de jaren zeventig tot heden is de Scholekster broedvogel in het Groote Wielengebied en daarbuiten. In de maanden februari tot ver in de broedtijd verblijven de vogels grotendeels op de graslanden om 's avonds te vertrekken naar de slaapplaatsen op de langzaam droogvallende zomerpolders van de Ryptsjerksterpolder. Dit zijn doortrekkers en (latere) broedvogels. In de jaren tachtig en negentig bereikten de aantallen hun hoogtepunt. Vanaf begin van de eeuw zijn de aantallen gedaald. Maximaal 1700 Scholeksters zijn geteld op 14 maart 1998.
terug

Buiten de broedtijd komen slobeenden vooral in het voorjaar, wanneer de zomerpoldergraslanden langzaam droogvallen in tamelijk grote aantallen voor. Na een piek in de jaren negentig zijn de aantallen het afgelopen decennium wat groter dan in de periode daarvoor. De populatie schommelt in de meeste jaren tussen de 300 en 500 vogels. Op 27 maart 1989 werden 1200 vogels geteld.
terug

De eerste smienten worden als regel gezien in september; de laatste in april op enkele achterblijvers na. Tot in de jaren negentig nam de smient in aantal toe tot meer dan 20.000 vogels. Daarna namen de aantallen af tot ca. 3.000-4.000 de laatste jaren. De vogels nemen in de loop van de ochtend toe, wanneer groepen smienten van hun nachtelijke voedseltochten in de wijde omgeving terugkeren naar hun rustgebieden in de zomerpolders van de Ryptsjerksterpolder en in de luwe zones op de meren.
terug

Of de spreeuw is toe- of afgenomen is op basis van de telgegevens niet duidelijk. Dat komt omdat de soort in de vorige eeuw niet stelselmatig is geteld in de avonduren wanneer de vogels uit de wijde omtrek komen slapen in de rietlanden langs de Rijd en/of de Ryptsjerksterfeart. Pas deze eeuw is dat af en toe wel gedaan. Dat neemt niet weg dat de aantallen in 2006, ook overdag, wel opvallend groot waren vergeleken met de jaren daarvoor. Op 14 december van dat jaar werden 160.000 vogels geteld.
terug

Het voorkomen van de stormmeeuw kan het best worden vastgesteld door de aantallen op de slaapplaatsen te tellen. Deze tellingen zijn pas vanaf 1982 gehouden; niet elk jaar. De vogels slapen met name buiten de broedtijd op plassen en ondergelopen graslanden in de Ryptsjerksterpolder. De meeste vogels zijn afkomstig van graslanden in de (wijde) omgeving. De tellingen zijn bijzonder moeilijk, want in de schemering, zowel 's avonds als 's ochtends kunnen de soorten moeilijk worden onderscheiden en de aantallen moeilijk worden geteld. In de grafiek worden de geschatte aantallen weergegeven. De populatie stormmeeuwen is in de loop der jaren niet veel veranderd. Het grootste aantal vogels dat in de boeken staat is 10.000, geteld op 27 januari 2002.
terug

Vanaf de eerste helft van de jaren negentig worden er steeds minder tafeleenden gezien. Maar ook rond begin jaren tachtig waren de aantallen klein. De trend over de hele periode is onduidelijk. De vogels in het najaar vertoeven op de meren; in het voorjaar op de ondergelopen zomerpolders. Op 29 december 1991 zijn 170 vogels geteld.
terug

Zowel op de voorjaars- als najaarstrek worden af en toe tapuiten gezien op de graslanden. Vaak zittend op hekken en draad kunnen ze haast niet gemist worden. Een duidelijke trend is niet zichtbaar. Op 22 september 1984 werden 14 vogels geteld.
terug

Torenvalken worden in wisselde aantallen gezien in het Groote Wielengebied, meestal vliegend of jagend bovende de graslanden. In tegenstelling tot andere roofvogels als buizerd, havik en bruine kiekendief is van toename geen sprake. In januari 1975 telde de NJN 13 vogels. Daarbij waren echter ook vogels van de Bullepolder, buiten het Groote Wielengebied; dus het aantal is wat te hoog.
terug

Tot begin jaren negentig namen de aantallen tureluurs toe tot een voorjaarspopulatie van meer dan 100 vogels. In deze eeuw nemen de aantallen langzaam af. De grootste aantallen worden niet zoals bij andere steltlopers gezien op de slaapplaatsen in de Ryptsjerksterpolder, maar op de graslanden vóór de broedtijd en aan het eind van de broedtijd, wanneer de oudervogels met kuikens in de nabijheid sterk alarmeren. Het grootste aantal tureluurs (201) is geteld tijdens een PTT-telling op 23 maart 1995.
terug

Het lijkt er op dat de veldleeuwerik buiten de broedtijd is afgenomen, maar erg duidelijk is dat niet. De grootste aantallen kunnen tijdens de voor- en najaarstrek worden gezien. Meestal gaat het bij een veldbezoek om enkele tientallen vogels, maar toevallig op een goede trekdag kunnen enkele honderden vogels worden gezien. Het grootste aantal veldleeuweriken (440) werd geteld op 1 december 1996.
terug

Het voorkomen van vinken in het Groote Wielengebied beperkt zich tot op of nabij bosrijke plekken. De grootste aantallen worden in en rond de winter geteld, meestal enkele tientallen vogels. Maar op 4 februari 2007 werden 200 vinken geteld. Een duidelijke trend is niet aanwezig.
terug

Visdieven in het Groote Wielengebied komen voor in het voorjaar en zomerseizoen. In de jaren 70 en 80 broedden er visdieven in de Ryptsjerksterpolder bij de kokmeeuwenkolonie. De grote aantallen in die periode betreffen voor een deel 'eigen' broedvogels, maar ook visdieven uit Leeuwarden en van de opspuiting Camminghaburen eind jaren zeventig bezochten het gebied. Vanaf de jaren negentig verdween de visdief als broedvogel bij de Groote Wielen en bleven de aantallen getelde visdieven meestal beneden de 10. De vogels worden gezien, jagend boven meren en vaarten. Het grootste aantal visdieven werd geteld op 15 mei 1987.
terug

Tot in de jaren tachtig werden 's winters vaak (enkele) tientallen waterhoenen geteld. Vooral vlakbij de vroegere zuivelfabriek van Gytsjerk. Daarna bleven de aantallen meestal beneden de 10.
terug

Tijdens de najaarstrek van augustus tot en met november worden meestal de grootste aantallen watersnippen geteld. De soort is moeilijk te tellen omdat de vogels pas opvliegen bij nabije verstoring. Gerichte watersnippentellingen in 1982, 1984 en 1986 lieten zien dat de werkelijk aanwezige aantallen twee tot drie keer zo groot kunnen zijn als uit de algemene tellingen naar voren komt. Dat verklaart tevens de piekperiode in de jaarmaxima in de jaren tachtig. Toch werd het grootste aantal watersnippen (1030) in september 1982 niet geteld tijdens een watersnippentelling, maar tijdens een 'gewoon' veldbezoek aan de Ryptsjerksterpolder. Op basis van de gegevens lijkt de watersnip afgenomen in de afgelopen veertig jaar.
terug

Buiten de broedtijd verblijven de wilde eenden meestal op de meren en vaarten, maar ook op onder water staande graslanden. De meeste vogels worden in de winter gezien. Tot eind jaren negentig namen de aantallen toe tot zo'n 800 vogels. Daarna daalden de aantallen tot 300-400 vogels. Het grootste aantal vogels (1.195) werd geteld op 21 december 1996.
terug

In het verleden werden maar weinig wilde zwanen gezien bij de Groote Wielen. Vanaf de jaren negentig, maar vooral deze eeuw is het aantal wilde zwanen sterk toegenomen. De vogels slapen op de ondergelopen graslanden in de Ryptsjerksterpolder en vliegen 's ochtends weer weg. Maar in de topjaren bleven er overdag ook wilde zwanen aanwezig. Maximaal 77 wilde zwanen zijn er geteld op 24 december 2005.
terug

Tot begin van de eeuw schommelden de jaarmaxima van de wintertaling rond de 500 vogels. Maar daarna schoten de aantallen omhoog tot 1000-2000 vogels. De oorzaak daarvoor is niet duidelijk. De vogels verblijven in de voor- en najaarstrek en in zachte winters op rustige delen en oeverzones van de meren en op plassen en ondergelopen graslanden vaak in dekking van uitstekende vegetatie. Het grootste aantal wintertalingen is 4500, geteld op 3 december 2000.
terug

Tijdens de voorjaars- en vooral nazomertrek maken witgatjes gebruik van het Groote Wielengebied. Ze verblijven rond poelen en plassen en slootkanten. Van een duidelijk trendbeeld is geen sprake. De 'grote' aantallen in de jaren tachtig zijn deels te danken aan een bijeffect van de gerichte watersnippentellingen, waarbij met meerdere tellers de graslanden werden bezocht. De toename in de jaren negentig is waarschijnlijk te danken aan de herinrichting van de Rypsterksterpolder, waarbij veel nieuwe poelen ontstonden. Het grootste aantal getelde witgatjes is 16, geteld op 16 augustus 1986.
terug

Het trendbeeld van de witte kwikstaart is te omschrijven als schommelend stabiel. De vogels fourageren in het Groote Wielengebied vooral op vochtige en plas-drasse plekken op graslanden. De grootste aantallen zijn 's avonds geteld in de Ryptsjerksterpolder, wanneer de vogels neerstrijken alvorens door te vliegen naar hun slaapgebied, mogelijk in de rietlanden van de Koekoekspetten. Het grootste aantal (35) is daar ook geteld, tijdens een steltloper-slaapplaatstelling op 16 maart 2002.
terug

De wulp komt al sinds jaar en dag in het Groote Wielengebied en is er ook in kleine aantallen gaan broeden. Een duidelijke trend is uit de gegevens niet te bepalen. Buiten de broedtijd worden de aantallen op de graslanden foeragerende vogels eerder in tientallen uitgedrukt dan in honderden. Sinds 1986 is de soort ook met enige regelmaat op de slaapplaatsen in de Ryptsjerksterpolder geteld. De aantallen zijn dan groter, aangezien ook vogels van buiten het Groote Wielengebied er komen slapen. In de jaren 80 en 90 maakten de vogels zowel in het voor- als najaar gebruik van de slaapplaatsen. De laatste tien jaar worden Wulpen alleen nog in het voorjaar gemeld van de slaapplaatsen, vaak nog maar enkele tientallen. Het grootste aantal Wulpen (210) is geteld op 3 november 1985 op de slaapplaats.
terug

Zilvermeeuwen worden buiten de broedtijd overdag in tamelijk kleine aantallen gezien; meestal veel minder dan kok- en stormmeeuwen. Op de slaapplaatsen in de Ryptsjerksterpolder zijn de aantallen duidelijk groter (vaak enkele honderden). De vogels komen vooral aanvliegen uit de richting van Leeuwarden. De piek in de grafiek wordt veroorzaakt door één geschat aantal van 500 zilvermeeuwen tijdens een slaapplaatstelling. De sterke indruk bestaat dat de aantallen de laatste 15 jaar langzaam afnemen.
terug

De aantallen zwarte kraaien die gemeld worden uit deeltellingen en met name midwintertotaaltellingen zijn het laatste decennium kleiner dan in de periode daarvoor. De meeste waarnemingen zijn van paartjes of kleine groepjes. Het ziet ernaar uit dat de zwarte kraai buiten de broedtijd na toename in de jaren tachtig en negentig nu weer afneemt. Op 24 oktober 1995 werd het maximumaantal van 132 vogels geteld tijdens een punt-transect-telling (PTT).
terug

Door de jaren heen zijn in het voorjaar en nazomermaanden kleine aantallen zwarte ruiters aan te treffen. De maximale aantallen schommelen nogal van jaar op jaar. Ze zijn te vinden langs sloten, in slootbeddingen, in poeltjes of plas-drasse graslanden. Op 30 augustus 1980 en op 8 mei 2011 werden 8 vogels geteld.
terug

 

 

 

 

 

 

 


 




 

Bijgewerkt op 29-nov-12