foto: Dick Goslinga
Wielenwerkgroep

Het ontstaan van de Groote Wielen

Inleiding

Hier is eerst een globale schets van de ontstaansgeschiedenis van de provincie Friesland vanaf de één na laatste ijstijd.

Pleistoceen (IJstijden)

Het Saalien
De basis voor het huidige Friese landschap is gelegd in de voorlaatste ijstijd, het Saalien, tussen 370.000 en 130.000 jaar geleden. Tijdens het grootste deel van die ijstijd lag Fryslân onder het landijs. De oorsprong van veel landijs lag in Scandinavië en daarvandaan transporteerden de gletsjers klei, zand en stenen naar Fryslân. Een mengsel van deze materialen bevindt zich nu als zogenaamd keileem in de bodem.

Het Weichselien
In de laatste ijstijd, het Weichselien, tussen 115.000 en 10.000 jaar geleden, bereikte het landijs zelf Fryslân niet meer. Wel heerste er tot ongeveer 10.000 jaar geleden een arctisch klimaat en zag de provincie er als een grote, glooiende toendra uit. Sterke winden zorgden voor enorme zandverstuivingen; een deel van dat zand kwam vermoedelijk uit het droge Noordzeebekken. Na verloop van tijd was heel het land onder een dikke laag dekzand verdwenen.

Holoceen
Het einde van het Weichselien luidde tevens het einde van het Pleistoceen in en het begin van het Holoceen, de geologische tijdsperiode waarin we nu leven.

Het oprukkende veen
Aanvankelijk was de Noordzee nog land, maar aan het eind van het Weichselien veroorzaakte het afsmeltende ijs van de gletsjers een snelle stijging van de zeespiegel. De kustlijn schoof op richting Fryslân. Landinwaarts waar het water moeilijk weg kon, begonnen veenmoerassen de keileem en het dekzand te bedekken. Het veengebied breidde zich in de loop van de volgende duizenden jaren geleidelijk verder uit en bedekte uiteindelijk vrijwel het gehele zandgebied van Fryslân.

Strandwallen, kwelders en wadden in een verlaten kust
Het veen aan de kust werd door inbraken van de verder stijgende zee soms weer weggeslagen en/of bedekt met sediment. Riviermondingen werden door de getijdestromen uitgeschuurd tot brede inhammen of estuaria. Op deze wijze ontstonden de Marneboezem, de Middelzee, de Zuiderzee, de Lauwerszee en de Fivelboezem. Het door de zee gevormde landschap met getijdegeulen, zandplaten, slik, kwelders, kwelderwallen, kweldervlaktes, prielen, kreken en oeverwallen won terrein ten koste van het veengebied. Dit kustgebied bleef tot de 6e eeuw v. Chr. min of meer onbewoond.

Bewoning van de kwelders
Al lange tijd lag er een wadden- en zeekleilandschap tussen de strandwallen en de hogere venen in het achterland. Dit was met de stijgende zeespiegel steeds hoger komen te liggen tot het niveau dat het voor boeren interessant werd. De hogere kwelderdelen boden met hun vruchtbare, goed ontwaterde, lichte en kalkrijke bodems voor veetelers goede mogelijkheden. Sommige kwelders waren mogelijk al generaties lang door boeren uit de zandgebieden als zomerweiden in gebruik geweest, voor zij zo rond 600 v. Chr. permanent bewoond raakten.

Ontginning van het veen
Vanaf de tiende eeuw kwam geleidelijk aan een einde aan de terpentijd. In de loop van de 10e eeuw maakten dijken het verder bouwen aan gezamenlijke terpen min of meer overbodig. De uitbreiding van de bevolking van de kwelders in combinatie met de verdere zeespiegelrijzing zijn waarschijnlijk de directe redenen geweest voor de grootschalige ontginning van het binnenland. Hoe dan ook: vast staat dat sinds de late 9e en vroege 10e eeuw enorme oppervlakten aan het landbouwareaal werden toegevoegd. Om veengrond te kunnen benutten voor akkerbouw en veeteelt is het nodig sloten te graven opdat de bovenste veenlagen droger worden. De meest efficiënte ontwatering  wordt verkregen door de sloten haaks op de hoogtelijnen te graven, dus van laag naar hoog, en deze aan te laten sluiten op het natuurlijke afwateringssysteem. De  ontginningssloten werden relatief dicht bij elkaar aangelegd, waarmee smalle percelen ontstonden: de karakteristieke strokenverkaveling.

Kaart van Schotanus 1718

Beknopte cultuurhistorische schets van De Groote Wielen
Voor het ontstaan van de Groote Wielen geldt min of meer het hierboven geschetste algemene beeld. De bewoners van de terpen aan de oostkant van de Middelzee begonnen ergens aan het eind van de 9e eeuw het veen oostwaarts te ontginnen door het graven van afwateringskanaaltjes (zwetsloten). Men ging daarop vervolgens boekweit en andere gewassen telen. De ontwatering van het veen, de teelt van gewassen en de blootstelling van het hoogveen aan de lucht leidde tot een snelle inklinking van het veen, waarvan het maaiveld daalde. De oorspronkelijke veenkoepel van het Wielengebied veranderde in een veenkom. In het westen werd vanuit de Middelzee in de 10e eeuw een dun kleidek afgezet.
Het Wielengebied is een typische overgangszone van de kleistreken in het noordwesten van Fryslân naar de zandgebieden van de Noordelijke Friese Wouden.

Hoogveen
Ongeveer vanaf het jaar 1200 is in het gebied van de Groote Wielen en het oostelijk daarvan gelegen Bûtenfjild veel hoogveen afgegraven voor turf door particulieren, maar meer nog door kloosters.

Laagveen
In de buurt van de Ryptsjerksterfeart heeft tot in de 20e eeuw nog laagveenvervening plaatsgevonden. Dat heeft geresulteerd in pleknamen als Regentepetten en Tsjerkepetten.

Recentere ontwikkelingen
Eind jaren zestig - begin jaren zeventig werd het Groene Ster Plan voor de Groote en Kleine Wielen ontwikkeld. Er waren plannen voor de aanleg van allerlei recreatieve voorzieningen. Deze plannen zouden de landschappelijke en cultuurhistorische identiteit van het Wielengebied onmiskenbaar hebben veranderd, en een grootschalige aantasting van het landschap hebben betekend. Vanwege het feit dat de verwachte bevolkingsgroei van de Leeuwarder bevolking tegenviel en hiermee de behoefte aan een dusdanig groot recreatiegebied was afgenomen, zijn deze plannen voor de Groote Wielen uiteindelijk echter niet doorgegaan. Vervolgens heeft de gemeente Leeuwarden het gebied ten oosten van het merencomplex in 1982 voor een symbolisch bedrag in erfpacht gegeven aan It Fryske Gea voor een periode van 48 jaar (tot 2030). Ten zuiden van de Groningerstraatweg zijn daarentegen de Kleine Wielen uiteindelijk wel omgevormd tot recreatiegebied.

Huidige situatie
Het door It Fryske Gea beheerde deel van het totale gebied is een natuurgebied van grote betekenis. Dat blijkt allereerst uit het feit dat het in 2010 is aangewezen als Natura 2000-gebied. De belangrijkste doelstelling van het gebied is het onderdak bieden aan wintervogels, broedvogels en doortrekkers. Maar ook voor de plantenwereld en enkele speciale diersoorten, zoals de Noordse woelmuis en de Meervleermuis, is het van groot belang. Verder blijkt de bijzondere betekenis voor de natuur uit het feit dat het gebied onderdeel uitmaakt van de zogenaamde Natte as van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het noordoostelijke deel van deze Natte as loopt van de Groote Wielen helemaal door naar het Lauwersmeer.

Wie meer wil weten; het rapport is hier te downloaden

Bijgewerkt op 1-feb-18